Je hebt ongetwijfeld ooit gehoord van de begrippen die we in dit hoofdstuk kort herhalen: cirkel, straal, middelpuntshoek, koorde, ... Dit overzicht biedt ons de gelegenheid om PeL nog wat beter te leren kennen.
Een cirkel is de verzameling van alle punten die even ver liggen van een gegeven punt (het middelpunt). Zo'n verzameling van punten noemen we gewoonlijk een meetkundige plaats. Een cirkel kan je tekenen met een stukje touw of met een passer. De straal van de cirkel is de afstand van het middelpunt tot een willekeurig punt van de cirkel.
PeL heeft drie soorten passers (zie ook werktuigenoverzicht):
Het lijnstuk dat twee punten op de cirkel met elkaar verbindt, noemen we een koorde. Onderstaand applet toont de koorde AB. Beweeg met de rechtermuisknop een van de twee punten tot de koorde het grootst is. Aan welke voorwaarde voldoen de twee punten dan? Deze grootste koorde noemen we diameter.
Als je in bovenstaande figuur de punten A en B niet met een rechte, maar met een stukje van de cirkel verbindt, spreken we over (cirkel)boog
Bekijken we opnieuw de koorde AB (onderstaand applet). De hoek AOB (O is het middelpunt van de cirkel) is een middelpuntshoek. De hoek ACB met C een punt van de cirkel is een omtrekshoek (of 'ingeschreven hoek'). We zeggen van beide hoeken dat ze op de koorde AB 'staan'. We onderzoeken nu via dit applet een aantal eigenschappen van deze hoeken.