Een extremumprobleem oplossen in P.e.L. is niet moeilijk, maar vraagt een specifieke werkwijze. Op deze pagina leggen we de constructie om tot een oplossing te komen stap voor stap uit.
We behandelen volgend vraagstuk:
Een koordje van 40 cm lang wordt in twee delen geknipt. Met één gedeelte wordt een vierkant gemaakt; met het andere gedeelte een cirkel. Voor welke waarden van de zijde z en straal R is de som van de oppervlakte van beide figuren minimaal?
In deze stap probeer je het vraagstuk te begrijpen en te schetsen. Je maakt best een tekening van de gegevens, bijvoorbeeld zoals hieronder:
Je ziet het koordje AB dat in tweeën geknipt is in C. De zijde van het vierkant bedraagt d(A,C)/4 terwijl de straal van de cirkel gelijk is aan d(C,B)/(2⋅π).
Hoe construeer je dit nu in P.e.L.? Bekijk de applet opnieuw en speel de constructie stapsgewijs af.
Je merkt de volgende stappen:
Door deze constructie kan je de omtrek van het vierkant variëren door C te bewegen (in P.e.L. met rechtermuisknop, in de applet op de site met linkermuisknop). De omtrek van de cirkel zal zich automatisch aanpassen. Met een wiskundige uitdrukking kan je aantonen dat de som van de zijden van het vierkant en de omtrek van de cirkel altijd gelijk is aan 40.
Hoe kan je nu de oplossing van het vraagstuk bepalen met P.e.L.? Het antwoord is vrij eenvoudig: functies komen er zelfs niet aan te pas.
Als je bovenstaande stappen volgde, heb je de volgende constructie bekomen (zonder automatisch volgen):
Als je C verschuift kan je inderdaad gemakkelijk de gezochte oplossing aflezen. De kleinst mogelijke som van de oppervlakten is gelijk aan 56. De zijden van het vierkant zijn dan gelijk aan 5.6. Het is weinig zinvol in je oplossing veel cijfers na de komma te noteren: de nauwkeurigheid van de oplossing is immers nooit groter dan de resolutie van de figuur.
Merk op dat er ook een betekenisvolle grootste som gevonden wordt: als de zijde van het vierkant nul is - er blijft dan enkel een cirkel over - is de oppervlakte gelijk aan π·1600. Je kan dit antwoord niet vinden met afgeleiden, aangezien het punt 0 op de grens van het toegelaten interval ligt.
Als je de constructie correct uitvoerde, vind je (eventueel na inzoomen) een vrij goede benadering van de oplossing. Functies zijn er helemaal niet aan te pas gekomen. Nochtans kaderen extremumproblemen meestal in dit thema. Dit hoeft geen probleem te zijn, want in P.e.L. kan je ook functies tekenen.
Indien we de basisveranderlijke (zijde vierkant) x noemen, is de som van de oppervlakten gelijk aan f(x)=x²+π·((d(A,B)-4·x)/(2·π))². In onderstaande applet is deze functie getekend. Je ziet dat het vaste punt van de vorige stap zich mooi over deze functie beweegt. (Beweeg C met de linkermuisknop.)
De hierboven beschreven functie is een tweedegraadsfunctie (parabool) met top gelijk aan x=(80/π)/(2·(1+4/π))=5.6. De corresponderende som van de oppervlakten is gelijk aan 56. Deze oplossing komt overeen met hetgeen we in de applet afgelezen hadden.
Schijnbaar vloeien theorie en applet in dit probleem netjes in mekaar over. We dienen wel een belangrijke kanttekening te maken. In de theorie vertrek je weliswaar van de zijde van een vierkant om de veranderlijke x te definiëren, maar eens je aan het rekenen bent, gaat de fysische betekenis van x helemaal verloren. Je ben immers aan het rekenen met een tweedegraadsfunctie, en het domein van zo'n functie is de verzameling van reële getallen. Met andere woorden: alle waarden van x - positief, negatief, groot of klein - kunnen voorkomen. Het is daarom erg belangrijk dat je - eens je het probleem theoretisch opgelost hebt - theorie en applet terug naar mekaar brengt en controleert of de gevonden oplossing wel kan in de praktijk. We stellen daarom volgende werkwijze voor: